Op uitkijk naar het pensioen
"Jij werkt nog altijd?" Het is een vraag die ik tegenwoordig opvallend vaak krijg. Wanneer ik oude jeugdvrienden tegenkom, mensen met wie ik in de jaren zeventig en tachtig ben opgegroeid, kijken ze me vaak verbaasd aan wanneer ik vertel dat ik nog steeds actief ben op de arbeidsmarkt. Velen van hen zijn ondertussen met pensioen. Anderen tellen letterlijk de maanden, weken of zelfs dagen af tot hun vroegst mogelijke pensioendatum.
"Pensioen is voor velen geen vlucht uit het werk. Het is de hoop op een verdiende rustpauze na een leven van inspanning."
Eerlijk? Ik begrijp hen steeds beter.
Voor het grootste deel van mijn generatie is werken vandaag niet meer hetzelfde als vroeger. De werkvloer van de jaren 1980 en 1990 was natuurlijk ook niet perfect, maar er was wel een andere sfeer. Het menselijke contact stond centraler. Collega's waren meer dan namen op een scherm of stemmen tijdens een online vergadering. Er werd gepraat, gelachen en soms zelfs tijd gemaakt voor een gesprek dat niets met het werk te maken had.
Vandaag lijkt alles sneller te moeten gaan. Efficiënter. Digitaler. Innovatie volgt innovatie op in een tempo dat nauwelijks nog bij te houden is. Nieuwe systemen worden ingevoerd nog voor de vorige volledig onder de knie zijn. Procedures veranderen voortdurend. Wat gisteren de norm was, is vandaag alweer achterhaald.
Natuurlijk ben ik niet tegen vooruitgang. Integendeel. Technologische ontwikkelingen hebben heel wat zaken eenvoudiger gemaakt. Maar soms stel ik me de vraag of elke verandering werkelijk een verbetering betekent. Vernieuwing lijkt steeds vaker een doel op zich geworden. Alsof alles wat nieuw is automatisch beter moet zijn dan wat voordien bestond.
Voor veel zestigplussers wordt dat een zware uitdaging. Niet omdat ze niet willen leren, maar omdat er na tientallen jaren werken ook grenzen zijn aan wat een mens kan verwerken. Bovendien botsen velen op een veranderende mentaliteit op de werkvloer. De verwachtingen liggen hoger dan ooit. Deadlines volgen elkaar sneller op. Prestaties worden voortdurend gemeten en geëvalueerd.
Het sociale aspect, dat vroeger voor velen een belangrijk onderdeel van het werk was, lijkt stukje bij beetje verdwenen. Waar collega's vroeger samen aan één zeel trokken, overheersen vandaag vaak cijfers, rapporteringen en processen.
Ook ik merk dat de jaren beginnen door te wegen. Na meer dan vier decennia beroepsactiviteit voel ik dat de energie niet meer dezelfde is als toen ik twintig of dertig was. Dat is geen klacht. Het is simpelweg de realiteit van het ouder worden. Je lichaam geeft signalen. Je geest verlangt soms meer naar rust dan naar nieuwe uitdagingen.
Daarom kijk ik met gemengde gevoelens naar de voorstellen om mensen langer aan het werk te houden. Op papier klinkt dat misschien logisch. Onze levensverwachting stijgt en de pensioenen moeten betaalbaar blijven. Maar achter die statistieken schuilen echte mensen, met echte jobs en echte beperkingen.
Niet elke beroepsactiviteit is dezelfde. Iemand die zijn hele loopbaan fysieke of mentale druk heeft ervaren, beleeft het einde van zijn carrière anders dan iemand met minder belastende omstandigheden. Dat onderscheid wordt in het maatschappelijke debat soms te weinig gemaakt.
Misschien moeten beleidsmakers daarom niet alleen kijken naar cijfers en begrotingen, maar ook naar de mensen achter die cijfers. Naar de zestigplussers die al veertig jaar of langer hun bijdrage hebben geleverd. Naar mensen die niet noodzakelijk willen stoppen met werken, maar die wel voelen dat hun reserves stilaan opgebruikt raken.
Pensioen is voor velen geen vlucht uit het werk. Het is de hoop op een verdiende rustpauze na een leven van inspanning. En hoe dichter ik zelf die eindmeet zie naderen, hoe beter ik begrijp waarom zoveel leeftijdsgenoten daar zo reikhalzend naar uitkijken. Misschien is dat geen teken van onwil, maar gewoon van wijsheid die met de jaren komt.
Rudi Leysen
Reactie plaatsen
Reacties